10 formules

KOOP NU

10 belangrijke formules op weg naar 

een succesvol economie examen!

Formule 1: een samengesteld gewogen gemiddelde berekenen

Dit doe je zoals het berekenen van je gemiddelde cijfer voor economie. Voorbeeld:

Je hebt drie toetsen gemaakt met elk een afzonderlijke weging.

Toets
Weging
Cijfer
T1
1
6
T2
2
7
T3
3
8
Totaal
6

 

Het gemiddelde bereken je dan als volgt: 1 x 6 + 2 x 7 + 3 x 8 = 44 / 6 = 7,33

Dit gemiddelde wat we net berekend hebben is een samengesteld gewogen gemiddelde. Dit wordt veel in de economie toegepast. Ook de CPI (consumentenprijsindex) is een samengesteld gewogen gemiddelde. Check de volgende les over inflatie!


Formule 2: beginwaarde en eindwaarde berekenen

Beginbedrag x (1 + rentepercentage / 100) aantal perioden = eindbedrag

Denk eraan: als het rentepercentage per jaar is gegeven, dan wordt het aantal perioden ook in jaren uitgedrukt. Dus bijvoorbeeld €10.000 gedurende 6 jaar tegen 7% rente per jaar op een spaarrekening zetten levert een eindbedrag op van:

Eindbedrag = 10.000 x (1 + (7 / 100)) 6

Eindbedrag = 10.000 x (1,07) 6


Formule 3: NIC / PIC x 100 = RIC

NIC = indexcijfer nominaal inkomen

PIC = indexcijfer prijzen

RIC = indexcijfer reëel inkomen


Belangrijk: in deze formule kan je alleen INDEXCIJFERS invullen, dus geen procenten! Check deze les over inflatie. 



Formule 4: prijselasticiteit van de vraag 

Epv = % verandering vraag / % verandering prijs

De uitkomst van deze formule geeft aan met hoeveel procent de vraag verandert als de prijs met 1% verandert. Als de prijselasticiteit bijvoorbeeld -0,8 is, dan verandert de vraag met -0,8% als de prijs met 1% stijgt. Ik vind persoonlijk prijsgevoeligheid een beter woord dan prijselasticiteit. Als je de formule even vergeten bent kan je als ezelsbruggetje denken aan de QuarterPounder. Dan weet je dat je de procentuele verandering van de Q moet delen door de procentuele verandering van de P en niet andersom. 


Formule 5: arbeidsproductiviteit

Arbeidsproductiviteit = totale productie in aantallen producten / aantal werknemers

Arbeidsproductiviteit = totale productie in Euro’s / aantal werknemers




Formule 6: loonkosten per product = loonkosten / arbeidsproductiviteit

Of

Indexcijfer loonkosten per product = indexcijfer loonkosten / indexcijfer arbeidsproductiviteit x 100


Formule 7: bruto en netto toegevoegde waarde berekenen

Bruto toegevoegde waarde = omzet – inkoop van grondstoffen – inkoop diensten van derden

Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen

Netto toegevoegde waarde = loon + rente + pacht + winst (dit zijn de beloningen voor productiefactoren)


Formule 8: quotes berekenen 

Loonquote = loon werknemers / BBP x 100%

Winstquote = winst / BBP x 100%

Staatsschuldquote = staatsschuld / BBP x 100%

Algemene regel: quote betekent delen door het nationaal / binnenlandse inkomen of nationaal / binnenlands product (BBP). Je moet de quote niet verwarren met een quotum. Dat is namelijk een hoeveelheid goederen die maximaal mag worden ingevoerd.




Formule 9: (S-I) + (B-O) = (E-M)

S - I = spaarsaldo particuliere sector

B - O = overheidssaldo

E - M = saldo op de betalingsbalans

(S-I) + (B–O) = nationale spaarsaldo



Formule 10: M x V = P x T

M = geldhoeveelheid

V = omloopsnelheid

P = prijsniveau

T = reële productie

M x V = geldstroom

P x T = goederenstroom


Als er in de verkeersvergelijking van Fisher links iets stijgt (MxV), bijvoorbeeld de geldhoeveelheid M, dan moet rechts (PxT) ook iets stijgen. Meestal is dat eerste wat dan rechts stijgt de reële productie. Pas als de grenzen van de productiecapaciteit zijn bereikt gaan de prijzen omhoog (P neemt toe).



Tip: Registreer je gratis aan en je kan onder andere een super handige formule en begrippenlijst downloaden. Klik Hier!